Home Geschiedenis

Geschiedenis

Inhoudsopgave
Geschiedenis
Valkerij Japan/Europa
Valkerijhistorie in Nederland
De jacht met de havik
Wettelijke bepalingen
Alle Pagina's

Over het algemeen wordt aangenomen dat de oorsprong van de valkerij bij de nomaden ligt, die op de uitgestrekte vlakten van Centraal-Azië leefden. We hebben het dan over de tijd zo’n 2000 jaar voor onze jaartelling. Op die vlakten ging het er niet om het wild te vinden, was men natuurlijk niet zo erg geïnteresseerd in het kleinwild, maar meer in het soort wild dat daadwerkelijk iets in de pot bracht, zoals antilopen.

Een ‘kijkdier’, zoals een roofvogel, bleek meer geschikt om wild op afstand te ontdekken en te bejagen dan bijvoorbeeld een hond. De vogels werden op dusdanige wijze getraind dat ze het wild blokkeerden. De (lange) honden waren dan in staat om bij de prooi te komen en het werk af te maken. Waarschijnlijk werd er in die tijd voornamelijk met de wat grotere roofvogels, zoals steenarend en sakervalk, gejaagd op haarwild (zoogdieren). Vanuit Centraal Azië verspreidde de valkerij zich in oostelijke richting: naar China, Korea en Japan.
Het staat vast dat de Chinezen de valkerij al lang voor onze jaartelling beoefenden. Die werd daar op grootse wijze bedreven. Zo trok men met wel 1000 vogels op jacht, die dan enkele maanden duurde. Misschien was zo’n groot aantal vogels wel noodzakelijk omdat er ongetwijfeld veel dieren dood gingen of wegvlogen. Hoe dan ook, het waren groots opgezette jachtpartijen.


 

In de derde eeuw na Christus bereikte de valkerij Japan.
In westelijk richting verspreidde de jacht met valken zich naar Perzië (het tegenwoordige Iran) en Noord India. We zijn dan inmiddels in de vierde eeuw van onze jaartelling aangekomen. Waarschijnlijk is de valkerij tijdens de grote volksverhuizingen naar het westen en zuiden van Europa doorgedrongen. De omstandigheden om de valkerij te beoefenen, waren daar echter niet zo geschikt als die in het oosten (het terrein was niet zo open), waardoor de valkerij nog lang ondergeschikt bleef aan de andere vormen van (plezier) jacht. De Arabieren maakten met de valkerij kennis tijdens hun Mohammedaanse oorlogen en verspreidden, evenals de Turken, deze naar Noord-Afrika.

De geschiedenis van de valkerij in Europa
Uit de zesde eeuw komen de eerste aanwijzingen omtrent het bestaan van valkerij in West Europa. Een aantal (jacht) wetten noemt straffen voor het stelen van valken uit bomen, van het rek of uit het valkenhuis. Met name het jagen met andermans valk werd zwaar bestraft. Zoals vermeld werd de valkerij niet op grootschalige wijze beoefend, maar daar kwam verandering in toen er een hernieuwde kennismaking plaatsvond tijdens de kruistochten. De ridders hadden wel eens genoeg van het vele vechten en dan bood de valkerij een welkome ontspanning. Zo is van Richard Leeuwenhart bekend dat hij in Palestina ‘vogels vloog’ (de valkerijterm voor het jagen met de vogel). Een van de wetenschappelijke natuurhistorische werken is het monumentale handschrift ‘De arte venandi cum avibus’ (Over de kunst om met vogels te jagen) van keizer Frederik II van Hohenstaufen, die omstreeks 1250 leefde. Dit werk behandelt de valkerij die de keizer in Italië met name op Sicilië bedreef.

Vanaf die tijd werd de valkerij een echte vorm van jachtgenot, die uitsluitend aan de adel voorbehouden was. Daardoor werd deze eveneens een statussymbool. Ieder zich zelf respecterend staatshoofd hield er wel een valkerijmanegerie op na. In Frankrijk beleefde de valkerij ten tijde van Louis XIV zijn meest decadente vorm. Na de Franse Revolutie raakte zij daar in verval, evenals in de rest van Europa. Napoleon was meer geïnteresseerd in het voeren van oorlogen. In Duitsland praktiseerden alleen de kleine vorstendommen nog de valkerij. In Engeland nam de belangstelling voor de vorstelijke valkerij af na het bewind van Hendrik VIII, die kennelijk tussen het onthoofden van zijn vrouwen door toch nog de tijd kon vinden voor het vluchtbedrijf. Het voortbestaan van de valkerij kwam daar nu in handen van vermogende burgers en officieren. In 1772 richtten zij, genoodzaakt vanwege de financiën, de ‘Confederate Hawks of Great Britain’ op, ook wel genaamd de ‘Falconers’ Club’.

Deze club hield zich vooral bezig met de vlucht op reigers en wouwen (rode). In 1838 werd ze opgeheven en er werd door enkele enthousiastelingen uitgekeken naar een nieuwe mogelijkheid. Die werd gevonden op het Loo en in 1839 werd daar de ‘Royal Loo Hawking Club’ (het Koninklijk Nederlands Valkeniersgezelschap) opgericht, onder de voorzittenschap van koning Willen III. Hier beleefde de valkerij haar laatste gloriedagen met de hoge vlucht op reigers. De contributie bedroeg in die tijd fl. 100,-, hetgeen kennelijk teveel was voor sommige leden, want de club is in 1855 ter ziele gegaan wegens financiële problemen.

Lid Newcome ging het einde van de hoge vlucht aan het hart en hij richtte in Engeland in 1863 de “Old Falconers’ Club” op. Deze hield zich vooral bezig met de vlucht op roeken en sneeuwhoenders en was een van de laatste instanties die zich met de valkerij bezighield. In 1926 werd de club opgeheven omdat er geen geschikt terrein meer voorhanden was. Tot dan toe vond de jacht op roeken plaats op Salisbury Plains. Die uitgestrekte vlakte werd echter steeds minder geschikt door de opkomst van militaire oefenterreinen en omheiningen, die het volgen van de jacht onmogelijk maakten.
Vanaf dat moment rustte het behoud van de valkerij in de handen van slechts enkele enthousiastelingen.

 


 

Jongste valkerijhistorie in Nederland
Al ten tijde van de “Confederate Hawks of Great Brittain” (eind 18e eeuw) voerden de Nederlandse beroepsvalkeniers, die met name uit Valkenswaard afkomstig waren, de boventoon. Zij werden overal in Europa, waar de valkerij op grootschalige wijze plaatsvond, in dienst genomen en voorzagen menigeen met in de kempen op de trek gevangen slechtvalken. Zij waren dan ook experts in het trainen van de z.g. “wildvang”. Dit in tegenstelling tot hun Schotse collega’s die bekwamer waren in het africhten van uit het nest genomen jongeren (“nestelingen”). Na de opheffing van de grote valkerij clubs, vooral die op het Loo, wisten de nederlandse beroepsvalkeniers nog enige tijd het hoofd bovenwater te houden met de vangst van valken en de productie van fournituren voor de valkerij. Die vonden vooral aftrek in Engeland. De laatste Europese en Nederlandse beroepsvalkenier was Karen Mollen, zoon van Adriaan Mollen, de voormalige valkenmeester op het Loo.
In 1935 stierf de beroepsvalkerij met hem.

In 1938 richtte een hand vol enthousiastelingen het “Nederlands Valkeniersverbond Adriaan Mollen” op. Vervolgens moesten ze het vak nog leren uit de schaars voorhanden zijnde literatuur. Dat ging met veel vallen en opstaan gepaard. In Nederland zijn er nog vier valkerijgroeperingen. Allen tezamen beschikken zij over ongeveer 200 valkeniers, die voornamelijk met een havik vliegen.

De huidige valkerij, de praktijk
De valkerij wordt in twee disciplines verdeeld:
Ten eerste de zg. “hoge vlucht”, welke met de valk plaatsvindt en ten tweede de “lage vlucht”, die met havikachtigen en arenden word beoefend. In Nederland is het uitsluitend toegestaan om de valkerij met havik of slechtvalk te bedrijven, vandaar dat we ons tot die soorten zullen beperken.

Herkomst van vogels
In vroeger tijden werden de voor de valkerij benodigde vogels uitgehorst of gevangen. In Nederland was men bij afwezigheid van broedende slechtvalken aangewezen op vangst tijdens de trek, terwijl haviken uitgehorst konden worden. In recenter tijden kon dit echter niet meer gepraktiseerd worden, vanwege het alsmaar zeldzamer worden van de vogels. Wilde slechtvalken worden in Nederland helemaal niet meer gebruikt. De in de valkerij gebruikte slechtvalken zijn nu alle afkomstig uit de fok. Hetzelfde geld voor haviken, hoewel deze vogel in Nederland een populatiegrootte heeft als nooit tevoren. De vogels worden op een dusdanige wijze gefokt, dat zij minimaal contact met de mens hebben en dus volledig wild zijn, dat wil zeggen qua gedrag gelijk aan de uit het wild afkomstige nestelingen. De opvoeding geschiedt dan ook geheel door de (pleeg)ouders. Voedt men de vogels met de hand op, dan raken ze gewend aan de mens en schreeuwen zij de hele dag naar hem om voedsel.

Huisvesting en training
Wanneer de veren van de vogels uitgegroeid (hard) zijn, begint de trainingsperiode. De vogels worden gevangen, “de schoenen” worden aangedaan en in de tuin op het blok of, in het geval van de havik, op de sprenkel geplaatst. De bazale training komt erop neer dat men via het eten het vertrouwen van de vogel moet proberen te winnen. Daarna wordt de vogel bijgebracht dat hij eten krijgt wanneer hij geroepen wordt. Het laatste en moeilijkste is het jagen van en met de vogel. Door te vliegen met een uit het wild gevangen exemplaar (van meestal nog geen jaar oud), kan men de laatste stap aanzienlijk vereenvoudigen. Omdat de vogel al over de nodige jachtervaring beschikt en goed bevlogen (in goede conditie) is.


 

De jacht met de havik
De havik wordt vanaf de vuist voornamelijk op konijn gevlogen. Hem moet dan ook geleerd worden dat de vuist een goed uitgangspunt is voor de jacht en dat het er goed toeven is. Kortom hij moet plezierige ervaring met de vuist opdoen. In het begin wordt de vogel “zeeg” (tam) gemaakt door te dragen (afdragen) en te azen op de vuist. Daarna moet hij over steeds grotere afstanden naar de vuist toevliegen. Wanneer het tijdstip bereikt is dat de vogel zonder aarzelen over de gehele lengte van de vlieglijn komt, is het tijd om hem los te vliegen en zo snel mogelijk aan het jagen te brengen. We zijn dan zo’n vier weken verder. Instinctief zal de havik een geboden kans benutten en het is zaak de vogel snel succes te laten hebben. De eerste ervaringen zijn de belangrijkste. Het vrouwtje (wijf) en het mannetje (tarsel) van de havik worden vooral voor de jacht op het konijn gebruikt. Met de havik op de vuist loopt de havikier door het terrein en wanneer de hond een konijn opjaagt, laat hij de havik los, die vervolgens poogt het konijn te pakken. Om de konijnen uit hun hol te jagen wordt vaak gebruik gemaakt van een fret.
Enkele moedige wijven kan men soms zover krijgen dat ze ook hazen slaan. Daarnaast vliegt men de havik de laatste tijd meer en meer op meeuwen en kraaien, vanwege de steeds moeilijker te realiseren jachtmogelijkheden. Dit gebeurt overigens op een gelijksoortige wijze als de jacht op konijn, met als verschil dat het loslaten van de vogel meestal vanuit de auto plaatsvindt. Op een andere wijze zijn de meeuwen of kraaien niet te benaderen. De havik is niet kieskeurig voor wat betreft de terreingesteldheid. Hij is in ieder landschap te gebruiken. De enige voorwaarde is dat er (voldoende) prooiaanbod moet zijn.

De jacht met de slechtvalk
Evenals bij de havik ligt het accent van de training van de slechtvalk de eerste tijd op het winnen van het vertrouwen van de vogel. Dit gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de havik. Daarnaast wordt de vogel dadelijk bekend gemaakt met het dragen van een huif (kapje). In plaats van op de vuist wordt de valk op de loer getraind. Wanneer het tijdstip bereikt is waarop de vogel los mag vliegen, wordt het belangrijk om de vogel een meer gerichte training te geven voor de manier van jagen waarvoor ze gebruikt gaat worden. Er zijn twee mogelijkheden. De vogel kan gebruikt worden als vuistvogel of als aanwachter, waarbij opgemerkt moet worden dat hij in beide gevallen uitsluitend op vogels jaagt.
Vuistvogel:
De vogel jaagt op kraaien, eksters of meeuwen en hij jaagt deze vanaf de vuist (over grote afstand) aan. Hij wordt gehuifd vervoerd (per auto) en wanneer zich een geschikte kans voordoet wordt de huif afgedaan en wordt de vogel gelost. De daarop volgende jachtvlucht strekt zich dan over vele honderden meters uit (wanneer er geen dekking is). Tijdens de training moet de valk op de loer stoten om conditie op te doen en wanneer die aanwezig is, worden haar kansen geboden om het jagen te leren.
Aanwachter:
De aanwachter is bestemd voor de vlucht op hoenders en eventueel eenden. Met een staande hond zoekt men een veld af tot deze vast voorstaat. Vervolgens huift men de valk af en laat deze van de vuist vliegen. Wanneer de positie van de valk goed is mag de hond inspringen, waarna hij met een duizelingwekkende vaart naar beneden stort en het hoen probeert te pakken. Tijdens de training worden deze valken niet op de loer gevlogen, omdat ze anders de neiging krijgen teveel in de buurt van de valkenier te blijven, waardoor ze niet omhoog willen. Deze vogels kan men door het bieden van kansen steeds hoger krijgen, waarbij een vogel nooit voor niets mag aanwachten. Het zal duidelijk zijn dat dit een goed samenspel tussen hond, valk en valkenier vereist. Omdat er een aanzienlijk grootteverschil tussen beide geslachten bestaat, is niet elke vogel geschikt voor iedere prooisoort. De tarsels worden voornamelijk gevlogen op eksters, kokmeeuwen, patrijzen, fazantehennen en talingen. De wijven kunnen daarnaast grotere eenden, fazantenhanen, kraaien en zilvermeeuwen aan. Ten aanzien van de eisen die men aan een jachtveld moet stellen geldt, dat het voldoende wild moet herbergen om dagelijks te kunnen vliegen, van voldoende grootte moet zijn en ook behoorlijk vlak, dat wil zeggen zonder al te veel dekking moet zijn. Er zijn er maar weinig die aan deze eisen kunnen voldoen, vandaar dat de vlucht met de havik meer gangbaar is.


 

Wettelijke bepalingen
Opleiding:
Wil men voor een valkerijakte in aanmerking komen, dan moet aangetoond worden dat men over voldoende ervaring met jachtvogels en jachtmogelijkheden beschikt. Aspirant-vogelvoerende leden van de vereniging moeten gedurende twee seizoenen jaarlijks met een andere mentor meelopen om de kneepjes van het vak te leren. Jaarlijks doen ze aan het bestuur schriftelijk verslag van hun ervaringen en na twee jaar komen ze in aanmerking voor het vogelvoerend lidmaatschap. Het bestuur ondersteunt vervolgens hun vergunningaanvraag. Of die vergunning daadwerkelijk verleend wordt is een zaak van stichting jacht opleiding.
In de nabije toekomst wordt aan deze praktijkervaring een theoretisch gedeelte geknoopt in de vorm van een valkeniersexamen. Dit valkeniersexamen omvat hetzelfde pakket als het huidige jachtexamen, zij het dat het wapengedeelte niet verplicht is. Daarvoor in de plaats komt een apart valkerijgedeelte en de akte die op basis hiervan uitgereikt wordt is dan ook uitsluitend geldig ter beoefening van het vluchtbedrijf

Vergunningenbeleid
Momenteel is het niet strafbaar om een havik of slechtvalk onder zich te hebben. Indertijd (1936) heeft men voor deze constructie gekozen om een eventueel heropbloeien van de beroepsvalkerij mogelijk te maken. Ten aanzien van het vergunningenbeleid kan men opmerken dat Den Haag een bijzonder restrictief beleid voert. Op dit moment worden er geen nieuwe vergunningen meer afgegeven en bestaat er een wachtlijst. Na het verschijnen van het valkeniersexamen zal die numerus clausus echter weer opgeheven worden. Deze regeling is in het leven geroepen omdat de natuurlijke populaties van havik en slechtvalk ernstig bedreigd werden. Momenteel broeden er echter meer haviken in Nederland dan ooit tevoren (ongeveer 1700 paren) en zijn alle slechtvalken die voor de valkerij gebruikt worden afkomstig uit fokprojecten, zodat het bovenstaande argument niet meer opgaat. De valkerij-organistaties beijveren zich dan ook de numerus clausus ongedaan te maken.

Jachtmogelijkheden
Uit het voorgaande is gebleken dat met name valkeniers in de ware zin van het woord de beschikking moeten hebben over flinke jachtvelden. Voor een enkeling is dat misschien zelf te bekostigen, maar het overgrote deel is afhankelijk van de goodwill van de geweerjagers. Het verdient natuurlijk de voorkeur om een en ander in harmonie met de overige jagers te regelen. De havikiers kunnen aan hun trekken komen door percelen te bejagen die te klein zijn voor de geweerjacht. Voor de jachtmiddelen havik en slechtvalk geldt de 40 ha-regeling niet. Een nog steeds vaak gehoorde klacht is dat de jachtvogels het wild verjagen. Dit is pertinent onjuist. Wanneer dat het geval was zouden de vogels zichzelf namelijk uitroeien. Er treedt slechts een kortdurende storing op.

Randverschijnselen
Valkeniers houden zich niet uitsluitend bezig met jagen. Ook zetten zij zich in voor de revalidatie en bestudering van roofvogels.

Revalidatie
Al lang voordat de roofvogels in ons land beschermd werden hebben de valkeniers zich ingezet voor de bescherming en de daarmee samenhangende revalidatie van roofvogels. De eerste roofvogel die gerevalideerd werd was een van een kermisexploitant afkomstige zeearend. Deze moest het vliegen en jagen weer machtig worden en is in 1940 op ‘De Hoge Veluwe’ vrij gelaten. De laatste 20 jaar hebben de valkeniers, die zich met het asielwerk bezig houden, 1495 roofvogels in handen gehad, vooral torenvalken, buizerds en sperwers. Daarnaast hebben zij ook vele uilen verzorgd. Het asielwerk omvat hoofdzakelijk het verzorgen en behandelen (in samenwerking met een dierenarts) van verwonde vogels en het opvoeden (het leren jagen) van vogels die uit het nest zijn gehaald. Het spreekt voor zich dat met name het laatste een grondige kennis vereist van het normale gedrag van roofvogels. De valkenier is door zijn ervaring op dat gebied de persoon bij uitstek om roofvogelgedrag te beoordelen. Er gaan zelfs stemmen op om actief jagende soorten (als havik en sperwer) alleen door mensen met een valkeniersakte te laten revalideren.

Verjaging met jachtvogels
Een nieuwe ontwikkeling die zich de laatste jaren voordoet is de verjaging van schadelijke dieren met behulp van jachtvogels. Vanwege het beroepsmatige karakter van het werk wordt dit wel ‘beroepsvalkerij’ genoemd. Het is echter een vorm van verjaging en heeft niets met de beroepsvalkerij van weleer te maken. Toentertijd ging het immers om het schouwspel van de jacht, nu gaat het om het randeffect. Het is daarom beter om van ‘beroepsverjagerij’ te spreken. We moeten hierbij echter meteen opmerken dat de ‘recreatieve’ valkerij absoluut geen verstoring teweegbrengt in een jachtveld, hoogstens een kortdurende storing. Op het moment dat een zwerm vogels (bv meeuwen) bejaagd wordt, zoeken deze een goed heenkomen en wanneer het gevaar geweken is, keren ze weer terug. Het is zelfs zo, dat wanneer de vogels niet bejaagd worden ,zij de vliegende jachtvogel negeren! Het verjagend effect is dus gelijk aan dat van een geweerjager en werkt alleen gedurende de momenten dat er daadwerkelijk gejaagd wordt. Het is natuurlijk wel zo dat het bereik van een valk veel groter is dan dat van een geweer en wanneer een plek ieder uur bezocht wordt, kan de valkenier (met meerdere vogels) het de meeuwen of kraaien aardig lastig maken. Op het laatst nemen ze al de wieken wanneer hij in zicht komt. In ons land worden op deze wijze de kraaien en/of meeuwen verjaagd bij de mosselverwerking in Yerseke en op enkele vuilstortplaatsen. Bij de viskwekerijen bij Lelystad probeert men of het mogelijk is om aalscholvers te verjagen met zeearenden. Nogmaals, verjaging sorteert alleen effect wanneer het verstorend effect vrijwel continu is. Met andere woorden, de valkenier moet vrijwel permanent een vogel laten jagen op de doelsoort.

Roofvogelshows
Tenslotte nog een laatste ontwikkeling die met de valkerij in verband wordt gebracht: de z.g. roofvogelshows. Het enige dat deze activiteiten met valkerij gemeen hebben, is dat de vogels op een wijze tentoongesteld worden die gelijk is aan de huisvesting van de vogels bij valkeniers. Daarnaast bedient men zich van enkele basale valkerijtechnieken om de vogels tam te maken. Men gaat echter totaal voorbij aan het wezen van de valkerij, namelijk het jagen met die vogels. Vandaar dat we mogen stellen dat de roofvogelshows eigenlijk niets met valkerij van doen hebben en vanuit dat oogpunt wijzen de meeste valkerijorganisaties die activiteiten af. Desalniettemin kan een roofvogelshow, mits op verantwoorde wijze gepresenteerd, educatieve waarde hebben.

 

Laatst aangepast (zaterdag, 17 juli 2010 13:44)