Home Geschiedenis

Geschiedenis - De jacht met de havik

Inhoudsopgave
Geschiedenis
Valkerij Japan/Europa
Valkerijhistorie in Nederland
De jacht met de havik
Wettelijke bepalingen
Alle Pagina's

 

De jacht met de havik
De havik wordt vanaf de vuist voornamelijk op konijn gevlogen. Hem moet dan ook geleerd worden dat de vuist een goed uitgangspunt is voor de jacht en dat het er goed toeven is. Kortom hij moet plezierige ervaring met de vuist opdoen. In het begin wordt de vogel “zeeg” (tam) gemaakt door te dragen (afdragen) en te azen op de vuist. Daarna moet hij over steeds grotere afstanden naar de vuist toevliegen. Wanneer het tijdstip bereikt is dat de vogel zonder aarzelen over de gehele lengte van de vlieglijn komt, is het tijd om hem los te vliegen en zo snel mogelijk aan het jagen te brengen. We zijn dan zo’n vier weken verder. Instinctief zal de havik een geboden kans benutten en het is zaak de vogel snel succes te laten hebben. De eerste ervaringen zijn de belangrijkste. Het vrouwtje (wijf) en het mannetje (tarsel) van de havik worden vooral voor de jacht op het konijn gebruikt. Met de havik op de vuist loopt de havikier door het terrein en wanneer de hond een konijn opjaagt, laat hij de havik los, die vervolgens poogt het konijn te pakken. Om de konijnen uit hun hol te jagen wordt vaak gebruik gemaakt van een fret.
Enkele moedige wijven kan men soms zover krijgen dat ze ook hazen slaan. Daarnaast vliegt men de havik de laatste tijd meer en meer op meeuwen en kraaien, vanwege de steeds moeilijker te realiseren jachtmogelijkheden. Dit gebeurt overigens op een gelijksoortige wijze als de jacht op konijn, met als verschil dat het loslaten van de vogel meestal vanuit de auto plaatsvindt. Op een andere wijze zijn de meeuwen of kraaien niet te benaderen. De havik is niet kieskeurig voor wat betreft de terreingesteldheid. Hij is in ieder landschap te gebruiken. De enige voorwaarde is dat er (voldoende) prooiaanbod moet zijn.

De jacht met de slechtvalk
Evenals bij de havik ligt het accent van de training van de slechtvalk de eerste tijd op het winnen van het vertrouwen van de vogel. Dit gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de havik. Daarnaast wordt de vogel dadelijk bekend gemaakt met het dragen van een huif (kapje). In plaats van op de vuist wordt de valk op de loer getraind. Wanneer het tijdstip bereikt is waarop de vogel los mag vliegen, wordt het belangrijk om de vogel een meer gerichte training te geven voor de manier van jagen waarvoor ze gebruikt gaat worden. Er zijn twee mogelijkheden. De vogel kan gebruikt worden als vuistvogel of als aanwachter, waarbij opgemerkt moet worden dat hij in beide gevallen uitsluitend op vogels jaagt.
Vuistvogel:
De vogel jaagt op kraaien, eksters of meeuwen en hij jaagt deze vanaf de vuist (over grote afstand) aan. Hij wordt gehuifd vervoerd (per auto) en wanneer zich een geschikte kans voordoet wordt de huif afgedaan en wordt de vogel gelost. De daarop volgende jachtvlucht strekt zich dan over vele honderden meters uit (wanneer er geen dekking is). Tijdens de training moet de valk op de loer stoten om conditie op te doen en wanneer die aanwezig is, worden haar kansen geboden om het jagen te leren.
Aanwachter:
De aanwachter is bestemd voor de vlucht op hoenders en eventueel eenden. Met een staande hond zoekt men een veld af tot deze vast voorstaat. Vervolgens huift men de valk af en laat deze van de vuist vliegen. Wanneer de positie van de valk goed is mag de hond inspringen, waarna hij met een duizelingwekkende vaart naar beneden stort en het hoen probeert te pakken. Tijdens de training worden deze valken niet op de loer gevlogen, omdat ze anders de neiging krijgen teveel in de buurt van de valkenier te blijven, waardoor ze niet omhoog willen. Deze vogels kan men door het bieden van kansen steeds hoger krijgen, waarbij een vogel nooit voor niets mag aanwachten. Het zal duidelijk zijn dat dit een goed samenspel tussen hond, valk en valkenier vereist. Omdat er een aanzienlijk grootteverschil tussen beide geslachten bestaat, is niet elke vogel geschikt voor iedere prooisoort. De tarsels worden voornamelijk gevlogen op eksters, kokmeeuwen, patrijzen, fazantehennen en talingen. De wijven kunnen daarnaast grotere eenden, fazantenhanen, kraaien en zilvermeeuwen aan. Ten aanzien van de eisen die men aan een jachtveld moet stellen geldt, dat het voldoende wild moet herbergen om dagelijks te kunnen vliegen, van voldoende grootte moet zijn en ook behoorlijk vlak, dat wil zeggen zonder al te veel dekking moet zijn. Er zijn er maar weinig die aan deze eisen kunnen voldoen, vandaar dat de vlucht met de havik meer gangbaar is.



Laatst aangepast (zaterdag, 17 juli 2010 13:44)